🇳🇱 delen

to share, to divide

Dutch Regular

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd Actions happening now or regularly
Person English Conjugation
ik I deel
jij/je you (informal) deelt
hij/zij/het he/she/it deelt
wij/we we delen
jullie you all delen
zij/ze they delen

Simple Past

Onvoltooid verleden tijd Completed actions in the past
Person English Conjugation
ik I deelde
jij/je you (informal) deelde
hij/zij/het he/she/it deelde
wij/we we deelden
jullie you all deelden
zij/ze they deelden

Want to actually remember these?

VerbPal drills "delen" in real Dutch sentences using spaced repetition.

Try VerbPal Free

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd Completed actions with present relevance
Person English Conjugation
ik I heb gedeeld
jij/je you (informal) hebt gedeeld
hij/zij/het he/she/it heeft gedeeld
wij/we we hebben gedeeld
jullie you all hebben gedeeld
zij/ze they hebben gedeeld

Past Perfect

Voltooid verleden tijd Actions completed before another past action
Person English Conjugation
ik I had gedeeld
jij/je you (informal) had gedeeld
hij/zij/het he/she/it had gedeeld
wij/we we hadden gedeeld
jullie you all hadden gedeeld
zij/ze they hadden gedeeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd Actions that will happen
Person English Conjugation
ik I zal delen
jij/je you (informal) zult delen
hij/zij/het he/she/it zal delen
wij/we we zullen delen
jullie you all zullen delen
zij/ze they zullen delen

Conditional

Onvoltooid verleden toekomende tijd Hypothetical situations and polite requests
Person English Conjugation
ik I zou delen
jij/je you (informal) zou delen
hij/zij/het he/she/it zou delen
wij/we we zouden delen
jullie you all zouden delen
zij/ze they zouden delen

Master Dutch verbs for real

Stop memorizing tables. Start speaking with confidence.

Try VerbPal Free

7-day free trial. Cancel anytime.