vastleggen

to record, to fix

Dutch Regular

The Dutch verb "vastleggen" means "to record, to fix" in English. It is a regular verb. Below you'll find the complete conjugation tables for "vastleggen" across all 6 tenses.

How to Conjugate "vastleggen" in the Present Tense

Onvoltooid tegenwoordige tijd Actions happening now or regularly
Person English Conjugation
ik I leg vast
jij/je you (informal) legt vast
hij/zij/het he/she/it legt vast
wij/we we leggen vast
jullie you all leggen vast
zij/ze they leggen vast

How to Conjugate "vastleggen" in the Simple Past Tense

Onvoltooid verleden tijd Completed actions in the past
Person English Conjugation
ik I legde vast
jij/je you (informal) legde vast
hij/zij/het he/she/it legde vast
wij/we we legden vast
jullie you all legden vast
zij/ze they legden vast

Want to actually remember these?

VerbPal drills "vastleggen" in real Dutch sentences using spaced repetition.

Try VerbPal Free

How to Conjugate "vastleggen" in the Present Perfect Tense

Voltooid tegenwoordige tijd Completed actions with present relevance
Person English Conjugation
ik I heb vastgelegd
jij/je you (informal) hebt vastgelegd
hij/zij/het he/she/it heeft vastgelegd
wij/we we hebben vastgelegd
jullie you all hebben vastgelegd
zij/ze they hebben vastgelegd

How to Conjugate "vastleggen" in the Past Perfect Tense

Voltooid verleden tijd Actions completed before another past action
Person English Conjugation
ik I had vastgelegd
jij/je you (informal) had vastgelegd
hij/zij/het he/she/it had vastgelegd
wij/we we hadden vastgelegd
jullie you all hadden vastgelegd
zij/ze they hadden vastgelegd

How to Conjugate "vastleggen" in the Future Tense

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd Actions that will happen
Person English Conjugation
ik I zal vastleggen
jij/je you (informal) zult vastleggen
hij/zij/het he/she/it zal vastleggen
wij/we we zullen vastleggen
jullie you all zullen vastleggen
zij/ze they zullen vastleggen

How to Conjugate "vastleggen" in the Conditional Tense

Onvoltooid verleden toekomende tijd Hypothetical situations and polite requests
Person English Conjugation
ik I zou vastleggen
jij/je you (informal) zou vastleggen
hij/zij/het he/she/it zou vastleggen
wij/we we zouden vastleggen
jullie you all zouden vastleggen
zij/ze they zouden vastleggen

Frequently Asked Questions About "vastleggen"

Is "vastleggen" regular or irregular in Dutch?
"Vastleggen" is a regular Dutch verb that follows standard conjugation patterns for its verb group.
What does "vastleggen" mean in English?
The Dutch verb "vastleggen" means "to record, to fix" in English.
How do you conjugate "vastleggen" in the present tense?
In the present tense (Onvoltooid tegenwoordige tijd): ik → leg vast, jij/je → legt vast, hij/zij/het → legt vast, wij/we → leggen vast, jullie → leggen vast, zij/ze → leggen vast.
How many tenses does "vastleggen" have in Dutch?
"Vastleggen" is conjugated across 6 tenses in Dutch: Present, Simple Past, Present Perfect, Past Perfect, Future, Conditional.

Master Dutch verbs for real

Stop memorizing tables. Start speaking with confidence.

Try VerbPal Free

7-day free trial. Cancel anytime.